Hoofdstuk 1


1. Verwoestend bericht

 

 

            Het voertuig reed tergend langzaam langs de landelijk gelegen woning. De inzittenden wisten dat ze hun doel hadden bereikt, maar de bestuurder stopte niet en parkeerde de wagen zo'n honderd meter verderop in de berm. Op een plek waar niemand iets te zoeken had, want in de wijde omgeving was geen ander huis te bekennen en een andere goede reden om daar te gaan staan was lastig te bedenken. De beide mannen waren gespannen. Ze verzamelden moed. 

            Gerrit Verholen had vanuit zijn ooghoeken een glimp van de stapvoets langsrijdende auto opgevangen. Alhoewel er in het gehucht waar hij met een deel van zijn gezin woonde bijzonder weinig verkeersbewegingen waren, zou hij er geen aandacht aan hebben geschonken als die blauwe Volkswagen niet in slakkengang hun huis was gepasseerd. Dat was ook niet gebeurd als hij niet juist op dat moment een koffiepauze had genomen in de keuken van hun prachtig verbouwde woonboerderij. 

            Hij had een paar jaar geleden met de keus voor landelijk wonen een droom in vervulling zien gaan. Heel beslist had hij deze toen vervallen boerderij gekocht, omdat deze zich optimaal leende voor een werkruimte aan de achterzijde van het gebouw, met geen andere afleiding dan een oase van natuurschoon in vooral vele tinten groen en bruin, wisselend per jaargetijde. Zijn werkkamer was fors, en bestond uit een zitgedeelte met salontafel, een klein barretje met vier krukken, een grote vergadertafel met zes comfortabele stoelen en als kers op de taart een grote werktafel vlak tegen het grote raam. De kamer bevond zich op de verdieping, die was aangebracht in de vroegere hooischuur. Naast een paar tuimelramen bestond bijna de volledige achterkant van het pand uit glas, zowel onder als boven. Waar hij ook zat aan zijn brede bureau met meerdere beeldschermen, hij had altijd ongehinderd uitzicht op de rustgevende natuur.

            Gerrit had zich omgedraaid om de bijzondere gang van die auto door het keukenzijraam te kunnen volgen. Toen hij half omgedraaid in zijn stoel waarnam dat de auto een stukje verderop de berm inreed en tot stilstand kwam, rees uit het niets een onbestemd gevoel op in zijn maag. Hij besloot op te staan van zijn stoel om de situatie in ogenschouw te nemen. Hoe langer de auto op die plek bleef staan en de bestuurder en eventuele inzittenden het niet verlieten hoe vreemder hij het vond. Dit was geen doorgaande weg. Dit gebied was ondanks zijn verbluffende schoonheid geen toeristische trekpleister, niet eens een wandelgebied. Het was te afgelegen. Tien minuten lang staarde hij naar de blauwe Volkswagen voordat hij besloot zijn verrekijker erbij te halen. Met dat hulpmiddel kon hij bijna zeker vaststellen dat er twee personen in de auto zaten. Er was nauwelijks beweging zichtbaar. Ze leken er als verstijfd bij te zitten. Zijn zicht was evenwel beperkt, omdat hij de auto van linksachter observeerde.

Zijn hart was al een poosje sneller gaan kloppen, op zijn slapen voelde hij zijn hartslag, dit voelde verontrustend. Het waarom had hij toen nog niet door. Opeens zwaaide het portier van de bijrijder open. Er stapte iemand uit. Het was een man van middelbare leeftijd, een gekleurde man, casual gekleed. De man deed een paar passen naar de achterkant van de auto en stond enkele tellen later overduidelijk te plassen. Nadat de man had dichtgeritst zag Gerrit dat de man zijn blik op hun woonboerderij wierp. Het was bijna alsof ze oog contact hadden. Het was goed mogelijk dat de man hem en verrekijker ook had gezien. De man boog zijn hoofd en stapte weer in de auto. Kort daarna begon de auto achteruit de weg op te rijden, zijn kant op. Een krampscheut schoot door zijn maag. Hij bleef de auto met de verrekijker volgen tot het zijraam geen mogelijkheden meer bood. Hij had maar een paar forse stappen nodig om bij het keukenraam aan de voorkant van de woning te komen. Tot zijn schrik was de auto precies voor hun woning gestopt. Een verrekijker was niet langer nodig. Hij zag een op het oog nog jonge vrouw achter het stuur zitten. Toen zag hij haar een pet opzetten en de bijrijder nog eens aankijken. In een flits wist hij waar dat nare gevoel vandaan kwam. Dit was uitermate onheilspellend. Die vrouw droeg een politiepet! Een situatie die hier op leek had hij al eens meegemaakt in een ver verleden, toen hij een jaar of veertien was. Maar toen waren er wel een paar naburige huizen geweest. De auto betrof toen een duidelijk herkenbare politieauto, een blauwe Volkswagenbus. Toen ging de gifbeker aan hun huis voorbij en bleek een buurjongen verongelukt.  Hij kromp ineen. Van alles spookte vanaf dat moment door hem heen. Hij was alleen thuis. Zijn vrouw, Gerdina Holtrop, verbleef in het buitenland, hun zoon Karst was een week op schildercursus, hun inwonende dochters Murkje en Ebelina hadden overdag bezigheden buitenshuis. Van hun op haar zeventiende van huis weggelopen dochter Frya hoorden ze al jaren weinig tot niets. Een enkel kort telefoontje, als bewijs van leven, daar bleef het bij. Alsof ze daarmee wilde zeggen haar vooral niet te zoeken. Allerlei mogelijke onheilsberichten schoten door zijn hoofd. Zijn knieën knikten. Hij wendde zijn hoofd af en draaide zich weg van het raam. Zo kon het naderende onheil – want dat moest het wel zijn – nog even worden afgewend. Verstijfd stond hij met zijn rug naar het raam.

De bel rinkelde. Hij rechtte zijn rug, hief zijn hoofd en liep manmoedig het ongetwijfeld slechte nieuws tegemoet. Hij voelde zich zwak en misselijk van spanning, maar opende de deur. Hij kon geen woord meer uitbrengen toen hij zag dat de agente haar pet had afgenomen en deze met gevouwen handen voor zich hield. Beide bezoekers toonden ernstige gezichten. Beide partijen keken elkaar een paar seconden zonder enig woord te wisselen aan. Gerrit was maar met één ding bezig, zich schrap zetten tegen wat ging komen.

 

“Meneer Gerrit Verholen?” vroeg de man op zachte toon.

Gerrit knikte. Hij had een brok in zijn keel. Er kon geen geluid langs.

“Is mevrouw Verholen aanwezig?”

Gerrit schudde zijn hoofd. Hij besefte tot zijn eerste opluchting dat dit niet over zijn vrouw ging.

“Kan ze hier snel zijn? We spreken u liever gelijktijdig.”

Gerrit hapte naar adem om toch te kunnen antwoorden.

“Ze zit in New York momenteel, voor zaken.”

De mannelijke agent zuchtte diep en sprak toen de woorden uit die Gerrit vreesde.

“We hebben helaas slecht nieuws voor u.”

Gerrit voelde overal spierspanning, in zijn hoofd merkte hij oplopende bloeddruk. Hij bracht slechts een hand naar zijn mond, uit voorzorg.

 

“Ik moet u helaas meedelen dat uw dochter Frya gisteravond dood is aangetroffen.”